De verdeling van de WMO gelden onder de gemeenten is tot dusver altijd gebeurt op basis van historische uitgaven. Op het moment dat een gemeente in het verleden veel uitgegeven had aan de particpatiewet WMO, dan bleef het toegekende budget voldoende om dat in stand te houden.
De overheid heeft echter een nieuwe verdeelsleutel bedacht, waarbij niet het uitgavenpatroon, maar de bevolkingsopbouw per gemeente doorslaggevend is voor de grootte van het WMO budget. Hoeveel senioren zijn er bijvoorbeeld binnen een gemeente en wat is de sociale opbouw daarvan?
Deze criteria zorgen voor een verschuiving van de budgetten tussen gemeenten. 258 gemeenten gaan er op vooruit, 85 gemeenten gaan er op achteruit. Over het algemeen gaan gemeenten in het oosten van het land er het sterkst op achteruit, gemeenten in het zuiden sterk op vooruit.
Deze ‘verliezers’ worden in sommige gevallen hard getroffen. Hendrik Ido Ambacht bijvoorbeeld raakt maar liefst 47% van haar budget kwijt, de gemeente Den Haag wordt in geld het hardst getroffen; € 3,8 miljoen wordt er straks gekort.
Aangezien deze bezuinigingen niet stapsgewijs, maar rigoureus worden doorgevoerd, maakt dat nogal wat reacties los, tot aan kamervragen aan toe. Naast de harde invoering van deze herverdeling, worden met name de wegingscriteria afgeserveerd door de tegenstanders. De criteria zouden bijvoorbeeld geen rekening houden met het aantal chronisch zieken in een gemeente, maar alleen kijken naar leeftijd. Dat zou onwenselijk zijn omdat dit geen reëel beeld schetst van de hulpvraag.
Voor 22 van de 85 gemeenten die gekort gaan was dit aanleiding om een onderzoek te laten doen naar de negatieve effecten van deze herverdeling. De Radboud universiteit heeft in samenwerking met bureau Ape een analyse opgesteld over de verdeeleffecten van de WMO.
Ik heb het rapport opgezocht en gelezen.
Het nieuwe verdeelmodel is opgesteld door Cebeon, een beleidsadviserend bureau dat door de overheid ingezet wordt. Cebeon zelf geeft op haar site aan dat er gekeken is naar de feitelijke uitgaven die gemeenten nu doen voor de huishoudelijke hulp (een belangrijk kostencomponent van de WMO), de leeftijd, het inkomen, het huishoudentype van de gebruikers van de WMO en tenslotte ‘relevante structuurkenmerken van de gemeenten’. Tja.
De eerste kritiek van Ape is dan ook daarop; de meetmethode is niet voldoende transparant. Aan welke criteria zwaar gewogen wordt is onduidelijk geven zij aan en hebben niets te maken met de reguliere methoden die normaal gesproken hiervoor gebruikt worden.
Ape heeft ook moeite met het feit dat de overgang voor gemeenten zo abrupt is. Een geleidelijke invoering heeft de voorkeur, zodat gemeenten zich hierop kunnen instellen.
Vooral minder stedelijke gemeenten met veel uitkeringsgerechtigden worden hard getroffen door de nieuwe systematiek. De gemeenten die hard getroffen worden blijken een relatief ongezondere bevolking te hebben, zo geeft Ape aan. Hier wordt aan voorbij gegaan in de nieuwe systematiek omdat er bijvoorbeeld geen rekening gehouden wordt met het aantal chronische aandoeningen, de gemiddelde mortaliteit, het aantal lager opgeleiden, de mate waarin de huisarts bezocht wordt en de mate van geluk die ervaren wordt.
Ook vreemd vindt Ape dat er op de verkeerde manier gekeken wordt naar thuiswonende zware zorgbehoeftigen. Daar wordt namelijk helemaal geen rekening mee gehouden. Er wordt namelijk in de verdeelsleutel gekeken naar het aantal AWBZ (verzorgings- en verpleeghuis) bedden in een gemeente en niet naar het aantal mensen dat eigenlijk in zo’n bed had moeten liggen. Sommige gemeenten kennen namelijk relatief veel thuiswonende mensen die een verblijfsindicatie hebben of zouden kunnen krijgen. Die mensen zijn goedkoper voor de overheid, want ze doen namelijk een minder groot beslag op de AWBZ gelden dan iemand die in een AWBZ bed ligt. Thuis wonen is goedkoper. Toch houdt het verdeelmodel hier geen rekening mee en dat is vreemd, want hoe meer thuiswonende mensen, hoe meer geld er op de AWBZ bespaard wordt en daar gaat het nu juist om! Die thuiswonende mensen doen een groter beslag op de WMO (via het gebruik van bijvoorbeeld huishoudelijke hulp), terwijl de gemeente daar niets voor terug ziet.
Het Sociaal Cultureel Planbureau brengt later dit jaar haar visie naar buiten over het verdelingsmodel van de WMO.
Het rapport van Ape heeft inderdaad een aantal steekhoudende argumenten. Het is inderdaad te hopen dat er een eerlijkere verdeelsleutel komt voor de verdeling van de WMO gelden. Als ik me namelijk een beeld vorm van een ‘participatiewet’, waarbij mensen betrokken worden bij de maatschappij, dan kan ik mij bijvoorbeeld wel degelijk chronisch zieken als specifieke doelgroep voorstellen. Daar kun je niet aan voorbij gaan. Het onderzoeksbureau heeft ook veel moeite gedaan om de verdeling van criteria te achterhalen, maar er schijnt veel onduidelijk te zijn over de precieze procentuele verhoudingen tussen die criteria. Vreemd. Transparantie is nu juist een steekwoord in de zorg.
Volgens mij is het laatste woord hier nog niet over gesproken.
Ik ben als ondernemer werkzaam in de zorg via mijn bedrijf Lexcellence Care en ben op zoek naar collega ondernemers die zich bij mij willen aansluiten. Wil jij ook ondernemen in de zorg? Start met het lezen van mijn boek.

